De Mammelokker

Tijdens een zondagse wandeling door de Gentse binnenstad word je als toerist werkelijk verwend door de historische architectuur die Gent rijk is. Niet alleen word je overweldigd door het prachtige erfgoed zoals het machtige Gravensteen of het Lam Gods. Ook de kleinere details springen al snel in het oog. Op een mooie dag ging ik daarom op zoek naar een interessante gevel met een rijk verhaal, met een boeiend verleden.[1]

Op de Botermarkt hield ik halt in de schaduw van het machtige Belfort. Een vrij opvallende beeltenis van een oude man die zich te goed doet aan de borst van een jonge vrouw vinden we terug op het timpaan van het kantoor van de Gentse Ombudsvrouw, gelegen op de Botermarkt 17. Menig Gentenaar herkent deze beeltenis direct als “De Mammelokker”. Een legende die oorspronkelijk verwees naar de Romeinse legende van “Cimon en Pero” maar waar de fiere Gentenaars al snel hun eigen versie van maakten.

De legende van Cimon en Pero

“Cimon zit in de gevangenis, vastgeketend aan zijn voet, en is gedoemd de hongerdood te sterven. Zijn dochter Pero komt hem bezoeken en laat hem aan haar borst drinken. Ze draagt een kind op de arm. Dankzij de melk van zijn dochter vindt de oude man opnieuw levenskracht. De stadsmagistraat, die het verhaal te horen krijgt, besluit Cimon vrij te laten, en hij mag op staatskosten leven zodat hij nooit meer honger hoeft te lijden. Deze legende was erg populair in het Oude Rome. Al gauw wordt Pero het symbool van de liefdevolle toewijding van een kind ten opzichte van zijn ouder. Het thema krijgt de naam 'Caritas Romana’”[2]

Als de legende van de Mammelokker vóór 1741 nog niet leefde onder de Gentse bevolking, was de beeltenis in de gevel op de botermarkt waarschijnlijk de aanzet van de Gentse interpretatie van het aloude verhaal. De aloude Romeinse legende werd door de volkstraditie namelijk ingrijpend veranderd. Zo werd de oorspronkelijk moeder met kind vervangen door een reine maagd die op wonderbaarlijke wijze haar vader kon zogen. De Gentse variant kreeg zo een nog mystiekere bijklank dan het oorspronkelijke verhaal. Iets wat perfect paste in de volksgeest van toen die hield van mirakels en fantastische gebeurtenissen.

Wie de legende kent, kan zich al snel de vraag stellen waarom net déze beeltenis van een opgesloten vader en zijn liefhebbende dochter prijkt op dít kleine gebouwtje aan de Botermarkt tussen het Belfort en de Lakenhalle? Deze luchtige voorstelling, opgetrokken uit blauwe hardsteen, strookt immers helemaal niet met de hedendaagse functie van het pand. Om dit te verklaren moeten we even teruggaan in de tijd…

Het concept van “gevangenissen” en het “opsluiten van mensen als straf” is op zich een vrij recent gegeven. De late opkomst van de gevangenissen had in eerste instantie een puur pragmatische reden, namelijk dat opsluiting een overheid immers handenvol geld kost. Het was een kost die men liever niet ten laste nam. [3]

Dé belangrijkste reden waarom overheden “permanente opsluiting” echter niet verkozen als straf, was omdat dergelijke straffen hun doel, namelijk “de afschrikking” compleet voorbij gingen. Een dader werd in eerste instantie gestraft om zo een voorbeeld te stellen aan de rest van de samenleving. Net daarom werden vaak gruwelijke executies (brandstapel, galg,…) of publieke vernederingen in het openbaar en op klaarlichte dag uitgevoerd. Het opsluiten van een misdadiger in een duistere cel ver weg van alle nieuwsgierige ogen paste in deze optiek uiteraard niet in het plaatje van “volksopvoeding”.

In de late middeleeuwen en de vroegmoderne tijd was een tijdelijke hechtenis in dit opzicht veel belangrijker. Wanneer een misdrijf plaatsvond, werd de dader zo snel mogelijk gevat en opgesloten in afwachting van zijn definitieve oordeel en straf.

Omstreeks de 14e eeuw is er zo sprake van een stedelijk arresthuis op de Korenmarkt, het zogenaamde “Châtelet”. [4]

Tegen het einde van de 17e eeuw werd het Châtelet te oud en te klein bevonden om de gedetineerden in onder te brengen. Tot dan gebeurde het immers al dat bij overbelasting de gevangenen werden ondergebracht in de Gravensteengevangenis of in de kelders van het Duivelssteen ( dat in eerste instantie dienst deed als tuchthuis). Omdat het Châtelet bovendien werd afgebroken in 1718 was de inrichting van een nieuwe stadsgevangenis noodzakelijk.

In afwachting van een nieuw gevangenisgebouw keurde de Gentse Schepenbank daarom alvast de verbouwingsplannen aan het Sint-Jorishof in 1717 goed als een voorlopige oplossing.

De stadsgevangenis gelegen aan de Botermarkt, die al snel de bijnaam “De Mammelokker” kreeg, verrees in 1741 naar een rococo ontwerp van architect David 't Kindt. Ook in de daaropvolgende decennia werd De Mammelokker duchtig verder verbouwd om de toenemende vraag naar capaciteit, die deels te wijten was aan een veranderende strafmaat o.i.v de Verlichting, te kunnen bijhouden.

Aangezien het aantal effectief gestraften en de gemiddelde opsluitingsduur toenam, was de Mammelokker eind 18e eeuw opnieuw te klein. Om de aangehoudenen tijdelijk te kunnen opsluiten, besloot de Schepenbank in 1771 om recht tegenover het stadshuis een amigo(*) te maken. Wanneer onder het Franse bewind de hogere overheid de bevoegdheid inzake strafbeleid overnam, kwam er weer capaciteit vrij in de Mammelokker, die zo tot 1902 in gebruik zou blijven.

Johannes Teerlinck

 

Terug naar overzicht