Werkmiddelen van de democratie

 

Een citytrip naar Athene, de bakermat van de Europese beschaving, moet wel resulteren in een artikel over democratie. Deze democratie van de oude Grieken was echter niet democratisch in de huidige betekenis van het woord. Hele bevolkingsgroepen, zoals vrouwen, slaven en buitenlanders (metoiken) hadden immers geen stemrecht. Het stemmen was een privilege die voorbehouden was aan vrije volwassen mannelijke burgers. Op een bevolking van 300.000 mensen, mocht eigenlijk maar 10% daadwerkelijk stemmen.

Het unieke van deze ‘volksheerschappij’ ((het woord democratie is immers een samentrekking van de Griekse woorden ‘dèmos’ (volk) en ‘krateo’ (heersen)) lag hem in zijn directheid. In de Griekse ‘directe’ democratie kon iedereen met stemrecht immers direct stemmen over wetsvoorstellen in plaats van vertegenwoordigers te kiezen die voor hen stemmen.Was het nu echter zo dat de burgers meer rechtstreekse invloed hadden op de Atheense politiek dan burgers in ons huidige politieke systeem? Enige nuance is op zijn plaats.Het centrale regeringsorgaan in Athene was de Boulé, de raad van 500. Hier lag de facto de echte macht. Het bestond uit 50 man uit elk van de tien districten van Attica. Via een rotatiesysteem traden 50 vertegenwoordigers van een bepaald district op als presidium, na 35 of 36 dagen werden ze afgelost door weer 50 vertegenwoordigers van een district. Onder deze 50 man werd een voorzitter van de dag aangewezen. Dit wetgevend orgaan ontwierp de wetten en bereidde de Volksvergadering (Ekklesia) voor. Het zag ook toe op de Magistraten en onderhield de betrekkingen met andere naties en steden. Daarnaast was er de Volksvergadering die er was voor alle volwassen mannen en om de tien dagen samen kwam bij de Pnyx, een heuvel met zicht op de Acropolis. Hier kon iedereen het woord nemen en had men gelijk recht van spreken. Hier werden wetsvoorstellen van de Boulé besproken.

Om het Atheense experiment in goede banen te leiden werden enkele handige middelen in het leven geroepen die het democratisch gehalte moesten verhogen. Een eerste voorbeeld is het gebruik van een klepsydra, een soort van wateruurwerk waarmee de spreektijd werd getimed, zodat iedereen eventueel spreektijd kreeg. Het bestond uit twee vazen, waarbij de ene wat hoger werd geplaatst dan de andere. Als de spreektijd begon werd een dop uit de bovenste vaas getrokken, zodat het water in de onderste vaas kon lopen. Het duurde ongeveer zes minuten vooraleer de vaas leeg was. Er bestonden ook grotere Klepsydras voor meer gewichtige publieke debatten.

Typerender nog was het principe van ostracisme of schervengericht, een stemprocedure uit de 5e eeuw VC. Zo kon men via de volksvergadering beslissen dat er een ostracisme moest gehouden worden om personen die te machtig werden te verbannen uit Athene. Vanaf er 6000 mensen op een bepaalde dag in de agora hadden gestemd was het ostracisme geldig. Iedere stemmer schilderde of kraste op een potscherf de naam van de persoon die hij het liefste de stad wou doen verlaten. Eigenlijk fungeerde dit aardewerk (ostrakon) als een stembiljet. Diegene met de meeste stemmen moest de stad voor vastgestelde tijd verlaten, waardoor de democratie kon ontsnappen aan een mogelijk tirannie. Het systeem van osctracisme was echter niet vrij van fraude. Later bleek namelijk vaak dat verschillende scherven door dezelfde mensen waren bekrast en zo dus feitelijk ongeldige stemmen werden uitgebracht.

Een ander middel was het gebruik van een kleroterion, een lotingsapparaat. Via loting wou men de al te grote invloed van enkele machtige figuren neutraliseren. Kleroteria werkten met pinakia, een bronzen plakje waarop de naam van de mogelijke loteling, zijn vaders naam en zijn dèmè (stam) stonden. Deze pinakia werden in de uitsparingen in het Kleroterion gestopt, 1 verticale rij van uitsparingen per stam. Aan de linkerkant van het Kleroterion was een holle buis met daarin zwarte en witte balletjes die hier in willekeurige volgorde waren ingegooid. Door middel van een draai aan een hendel onderaan het toestel viel een wit of een zwart balletje er uit. Was het een wit balletje dan werden alle 10 burgers wiens pinakia in de bovenste horizontale rij zat (1 per stam dus) uitgeloot. Was het een zwart balletje dan was de desbetreffende rij vrij van loting en werd verder gedraaid tot er op deze manier genoeg lieden waren uitgeloot. Deze manier van loting werd vooral in de Volksrechtbanken gebruikt.

Via loting werden zowel de Raad van 500, de Volksrechtbank als de magistraten geloot. Als we weten dat het merendeel van de volksvertegenwoordiging tot stand werd gebracht door loting en niet door verkiezing kunnen we het om het in de woorden van David Van Reybrouck te zeggen gewag maken van een Aleatorisch-representatieve democratie. Een democratie die buiten de directheid van de Volksvergadering vooral bepaald werd door het lot en niet door verkiezing (alea is het Latijn voor dobbelsteen). Dus het veelal heersende beeld van de Atheense democratie als een directe democratie, waarin zowat de gehele bevolking vrijuit zijn ei kwijt kon is niet correct. De burgers werden wel degelijk gerepresenteerd door verschillende raden. De leden die hierin zetelden waren ook niet verkozen, maar meestal door het lot bepaald. Daarbij komt dat dus slechts een happy few van de Atheense mannen het democratisch verloop kon doen bepalen. Desondanks dit alles kan en mag het belang van de Atheense democratie op ons huidig systeem van volksvertegenwoordiging nauwelijks overschat worden.

Koen Goeminne