Onze taal als spiegel van de geschiedenis

 

Bij sommige van onze hedendaagse uitdrukkingen kunnen we ons makkelijk inbeelden dat ze een middeleeuwse oorsprong hebben. Als iemand zich ‘ridderlijk’ gedraagt is hij edelmoedig en als iemand een andere ‘tegen zich in het harnas jaagt’ heeft hij deze persoon op de zenuwen gewerkt. Dat onze taal echter veel meer middeleeuwse uitdrukkingen en spreekwoorden bevat dan op het eerste zicht zou lijken, zal ik in deze bijdrage aantonen.

Het hoeft niet te verbazen dat veel van oorsprong middeleeuwse zegswijzen te maken hebben met strijd en geweld. Als men iets openlijk doet, zal men ‘met open vizier strijden’. De ridder die met open vizier streed, gaf aan de tegenpartij immers te kennen wie hij was. Zo zou tevens het salueren hier zijn oorsprong  vinden. Het gebaar die hierbij gemaakt wordt, zou wijzen op het openzetten van het vizier. Het is echter moeilijk uit te maken of het hier al dan niet om een broodje aap verhaal gaat. Wat echter wel buiten discussie staat is dat wie voor zijn standpunt zal moeten uitkomen, ‘kleur zal bekennen’. Ridders droegen immers de kleuren van hun heer, zodat het voor iedereen duidelijk was wie deze ridder diende. ‘Iemand uit het zadel lichten’, doet deze persoon zijn positie verliezen. Dit zal de in-het-zand-bijtende, verslagen ridder volmondig beamen. Als je iemand daarentegen een verloren positie wil helpen innemen, kan je hem ook ‘in het zadel helpen’. Aangezien de harnassen in de 15e eeuw tussen de 30 en de 50 kilo wogen, was een beetje hulp om op het paard te geraken immers welgekomen. Wie zijn bekwaamheid bewezen had, had ‘zijn sporen verdiend’. Een ridder werd je immers pas nadat je na tal van beproevingen je sporen aangeboden kreeg.  Verder ging men er toen ook al ‘als een pijl uit de boog’ vandoor en kon de ‘boog niet altijd gespannen’ zijn. Een niet gebruikte boog moet immers ontspannen worden, anders wordt ze slap. Wat men grondig wou bestrijden, deed men ‘te vuur en te zwaard’ en als iemand ten strijde trok nam hij ‘het heft in handen’. Strijden deed men pers slot van rekening met het handvat (heft) van zijn zwaard in de hand.

Tal van andere uitdrukkingen doen een licht werpen op hoe het er aan toe ging in deze ‘duistere tijden’ (tenebrae), om het met Petrarca zijn woorden te zeggen. Zo moest de hedendaagse uitdrukking ‘rijke stinkerd’ toen vrij letterlijk genomen worden. Rijke mensen werden toen nog binnen in de kerk begraven, terwijl de armen buiten de kerk begraven werden. Aangezien de afdichting van de graven niet optimaal was, kon je de geur van ontbindende lichamen ruiken in de kerk. In 1784 kwam aan deze praktijk een einde toen Jozef II het begraven van doden in de kerk om hygiënische redenen verbood. Als we nu ‘de draak steken met iets’, zijn we aan het spotten. De herkomst van deze uitdrukking moeten we zoeken bij de 11e eeuwse legende van Sint-Joris en de draak. In de religieuze middeleeuwen werd deze populaire legende vaak nagespeeld. Na verloop van tijd werd de legende echter meer gespeeld als een komisch spel, waarbij diegene die Joris speelde een lans moest steken in een door-stro-opgevuld-monster. De huidige betekenis van de ‘draak steken met iets’, wordt dan ook ontleend aan dit komisch gebruik. Wat ook komisch kan zijn is ‘iemand een loer draaien’. Een loer wordt door valkeniers gebruikt en dient als nepprooi. Aan een met zand gevulde leren buidel hangt men een stuk vlees. Via een riem wordt de loer rondgedraaid en wordt zo een prooi geïmiteerd. Dit is nodig aangezien roofvogels enkel levende prooien vangen.

Onze uitdrukkingen en spreekwoorden vertellen ons verder ook iets meer over de geloofspraktijken in de middeleeuwse maatschappij. Als je ‘de advocaat van de duivel speelt’, neem je in een discussie een standpunt in waar je eigenlijk niet helemaal achter staat. Zo kan je aan de hand van de tegenargumenten de minpunten van een betoog in kaart brengen.  De oorsprong van de uitdrukking moeten we zoeken bij een oud gebruik in de katholieke kerk. Bij een heiligverklaring hoorde een proces, waarbij twee personen tegenover elkaar stonden die argumenteerden pro en contra een heiligverklaring. Tegenover de advocaat van God (de pro-argumenten) stond ook een advocaat van de duivel, de advocatus diaboli.

Als je een werk uitvoert waar veel geduld voor nodig is, doe je een ‘monnikenwerk’. Voor de uitvinding van de boekdrukkunst in de 15e eeuw door Johannes Gutenberg, werden boeken immers letter voor letter overgeschreven door monniken. Een werk dat maanden per boek in beslag kon nemen. Wat monniken ook goed konden, was ‘ergens korte metten mee maken’. De ‘metten’ waren de ochtendgebeden waarmee de monniken hun dag moesten beginnen en deze vroege gebeden waren daarom niet de meest geliefde. In veel kloosters werden deze in de loop der tijd dan ook ingekort.

Deze bijdrage mag duidelijk maken dat we, door de herkomst van onze uitdrukkingen na te gaan, veel kunnen leren over de maatschappij waarin deze uitdrukkingen hun oorsprong vonden. 

Koen Goeminne