Alles op een reitje: een korte geschiedenis van de Brugse reien

 

Deze week werd ik aangenaam verrast toen ik las dat er vanaf 20 april net naast de Carmersbrug een drijvend paviljoen wordt geïnstalleerd op de Langerei, op nog geen boogscheut van mijn eigen stulpje. Het ponton komt er ter gelegenheid van de Brugse Triënnale kunstmanifestatie en zou ook dienen als zwemplatform om tijdens de zomermaanden een soort “Brugge Beach” te creëren en dat op onze eigenste Reitjes! Maar wat was eigenlijk de oorsprong van deze Reitjes? Hebben deze ooit een andere functie gehad dan deze van woonplaats van onze Brugse zwanen of achtergrond van één van de feeërieke stadsgezichten die Brugge rijk is? Laten we even terublikken naar de oorsprong van de Brugse Reien.

De Reitjes zoals wij ze kennen gaan terug op de rivier de Reie. Deze rivier had zijn bron in het Houtland tussen Waardamme en Torhout en vloeide via het huidige Oostkamp en Moerbrugge ten zuiden van Brugge uit in het Minnewater. De Reie doorkruiste vervolgens Brugge en mondde via een getijdengeul uit ergens tussen Blankenberge en Zeebrugge. In de 11de eeuw werd het water van de Reie door de inpolderingen afgeleid naar het Zwin.

Tot op de dag van vandaag is de weg hoe de Reie Brugge doorkruiste nog steeds te zien. Van aan het Minnewater waar ze Brugge binnenstroomde, tot aan de Dampoort waar zij de stad verliet. Van aan het Minnewater liep de Reie via de Bakkersrei en de Dijver tot aan de Rozenhoedkaai. Een populair stuk van de rondvaarten in Brugge situeren zich dus op een stuk van de originele rivier. Vanaf hier meanderde de rivier verder tussen de Wollestraat en de Burg, doorheen de voormalige Waterhalle (nu Provinciaal Hof) tot aan het Kraanplein. Hier nam de Reie een bocht naar rechts en liep via de Poortersloge richting wat nu het Jan van Eyckplein is tot in de Spiegelrei. Het stuk van de Reie tussen de Burg en het Jan van Eyckplein is nu overwelfd, maar vanaf de Spiegelrei is het traject van de rivier weer te volgen via de Langerei tot aan de Dampoort. Dat het hier een van oorsprong natuurlijke waterloop betreft bewijst de licht kronkelende bedding van de Langerei, al is deze door de jaren heen wel versmald.

Maar Brugge is rijker aan Reitjes dan enkel de loop van de Reie. De binnenreien, zoals de Speelmansrei, de Gouden Handrei of de Augustijnenrei lopen in een boogvorm van aan ’t Zand tot aan de Langerei en zijn onmiskenbaar van menselijke makelij. In de nadagen van de moord op graaf Karel de Goede in 1127 was Brugge in chaos en teneinde hun stad tegen indringers te beschermen besloten de Bruggelingen inderhaast een stadsomwalling met de nodige poorten erbij aan te leggen. In het zuiden en het oosten van de stad sloten deze omwalingen aan bij de bestaande waterlopen als de Dijver en de Groene Rei, waardoor deze een ideale verdedigingslinie vormden. Maar de oorspronkelijke waterlopen liepen niet ver door in het noorden en het westen van de stad en hier werden dan ook vooral houten beschuttingen gebouwd ter verdediging van de stad. Nadat de nadagen van 1127 plaats hadden gemaakt voor relatieve rust werden deze houten constructies vervangen door stenen muren met halfronde torens, de houten poorten werden gesloopt om er stenen poorten van te maken en vooral: er werden deftige grachten gegraven. In de daaropvolgende jaren kende Brugge een enorme bevolkingsaangroei. Talloze nieuwe wijken onstonden binnen de stadsomwallingen en deze verloren hun nut. Het is dan ook geen wonder dat hiervan niet veel overgebleven is, behalve bijvoorbeeld aan de Pottenmakersstraat, waar één halfronde toren is overgebleven. De binnenreien die we nu kennen als de rustige stadsgrachten die achter de huizen doorlopen en wiens oevers Brugge voorzien van het nodige groen, zijn praktisch de enige overgebleven getuigen van de originele Brugse stadsomwallingen van de 12de eeuw, dit des te meer omdat zij omstreeks 1270, in een Brugge dat zijn zenit als handelsstad kende, werden uitgediept om scheepvaart er op mogelijk te maken.

Ons Venetië van het Noorden. Hoewel onze stad slechts een fractie telt van het aantal kanalen en bruggen van zijn Italiaanse tegenhanger, is iedere Bruggeling terecht trots op zijn door waterlopen gekenmerkte stad. De reitjes hebben doorheen de eeuwen tal van functies bekleed in Brugge, hebben onze stad groot zien worden en in verval zien geraken. Al zijn ze op de dag van vandaag vooral van toeristisch nut, welke échte Bruggeling kan zich Brugge voorstellen zonder zijn doolhof van Reitjes, met zijn rondvaartbootjes, zwanen en vanaf eind april ook met een zwemponton!

 

Pieterjan Vinck

 

Voor wie meer wil lezen over de Brugse Reien verwijs ik graag naar volgend werk:

Lingier, M., De Brugse reien, aders van de stad, Tielt, Lannoo, 2005, 64 p.